“Of ik wel eens van jager Will Verdrag heb gehoord?
Natuurlijk heb ik dat! Zijn er mensen die de verhalen die over hem verteld
worden niet kennen?!” De soldaat leunde op zijn speer, zijn ogen wijd open
gesperd. “Wat was de vraag? Oh ja, ik ken hem wel! Ik heb hem niet echt ontmoet
– niet in de gebruikelijke zin, bedoel ik dan. Ja, ja ik ken hem wel.” Opnieuw was
de soldaat, een man van middelbare leeftijd, afgeleid door zijn eigen
vertelsels. Een moment lang staarde hij voor zich uit, voor hij zich bedacht
dat hij in gesprek was. “Ik heb mijn leven aan hem te danken, wist je dat?” hij
boog samenzweerderig naar voren. “Het was tijdens de slag om Araluen, een week
nadat de Scoti het land binnen waren komen vallen. Ja, dat was me de tijd wel.
Ik was een simpele poortwachter, samen met vijf van m’n kameraden. Oh, wat was
dat zootje ongeregeld! Ik vraag het me nog dagelijks af waarom de koning ons
niet jaren geleden weggestuurd heeft.” Hij gniffelde even. “Blijkbaar voelde
hij zich veilig genoeg!” De soldaat verzette zijn speer, zodat hij er beter
tegenaan kon leunen. “Toen, zomaar, uit het niets werden we aangevallen. Het
begon als een stofwolk aan de horizon. Een hele meute was het! Honderden Scoti –
allemaal recht op ons af! We sloten gelijk de poorten natuurlijk. Aan de andere
kant van het kasteel werd ook al om versterking geroepen. Die barbaren zaten
overal! Zo, alsof ze uit de lucht gevallen waren! En we stonden daar maar, met
z’n zessen en al die bruten kwamen op ons afgestormd. Ik weet het nog, dat ik
zei: ‘nou jongens, dat is ’t dan.’ Maar we gaven niet op, oh nee! We vochten
als leeuwen! Gelukkig kwam er snel versterking. Boogschutters haalden hele groepen
tegelijk neer. Maar het was niet genoeg. Ze omsingelden ons en binnen een
seconde verloor ik de anderen uit het oog. Ik moest wel: de Scoti waren overal.
Uit m’n ooghoek zag ik het, het zwaard dat mijn leven zou beëindigen. Maar het
heeft me nooit aangeraakt, want op dat moment, ja, dat was me het moment wel,
viel die barbaar neer. Zomaar! Een pijl stak uit zijn borst. Het was net magie,
zo plotseling als dat ding verschenen was. Ik keek om, en ja hoor, het was
jager Will. Hij redde mijn leven! Hij reed verder om het kasteel heen – daar was
hij meer nodig, zo dacht ik. Al hadden wij ook wel wat hulp kunnen gebruiken.
Die slag, ja die hebben we verloren, maar de oorlog, die hebben we gewonnen!
Wat zullen die Scoti toch lelijk op hun neuzen hebben gekeken! Ha! Net als dat
moment, zes jaar geleden…” De soldaar ratelde vrolijk verder, denkend aan de
tijd dat hij Araluen had gediend...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten